katzwijm zn. ‘kortstondige flauwte’

Vnnl. in menschen, die in kat-swym vallen [1698; WNT].

Samenstelling uit → kat en → zwijm ‘bewusteloosheid’, en zo genoemd omdat katten na bijv. een lelijke val maar heel kort versuft zijn.

(M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands)

 

kat·zwijm (de; m)

1 (gespeelde) flauwte: in katzwijm vallen

(van Dale)